Opa Emile

Stond ik ineens vorige week oog in oog met mijn opa, Emile de Schepper, geboren 1892. Tijdens de Dag van de Groninger Geschiedenis was hij levensgroot afgebeeld staande voor zijn vliegtuig, De Helpman 1. Dat was gek. 18 jaar was hij toen. Ik kende hem nog uit de tijd dat hij zo oud was als ik. Als goedlachse Bourgondiër en biljartfabrikant in hart en nieren. Hij heeft in zijn leven veel biljarts gemaakt, maar zijn vliegtuig was zijn droom.

Het dorp Helpman had in het begin van de twintigste eeuw een jaarlijkse feestweek. Mijn overgrootvader, ook biljartfabrikant en bovendien een begenadigd kunststoter, zat in het feestcomité. Men bedacht dat de feestweek van augustus 1910 in het teken van de vliegkunst moest staan. Mijn overgrootvader, een Belg van geboorte, kende de beroemde Antwerpse aviateur Jan Olieslagers. Die was erg duur, maar de voorzitter van het comité, Jan Evert Scholten, vond dat het moest kunnen en stond met 10.000 gulden garant. Mijn overgrootvader zocht Olieslagers op tijdens een vliegshow in Brussel en haalde hem over om naar Helpman te komen.

In de feestweek ging Olieslagers op de plek van de huidige tennisbanen Vorenkamp een aantal keren de lucht in. Zelfs op zondag, maar dat gaf niks, zei Olieslagers, want hij logeerde die week bij De Schepper. Duizenden mensen uit heel Nederland waren erbij. De vonk sloeg over op mijn opa. Hij overtuigde zijn vader als geldschieter en begon met de bouw van een vliegtuig. De biljartfabriek had alle gereedschap en materialen voorhanden en hij nam Hubert Hagens in dienst. Deze mecanicien werkte daarvoor bij Jan Olieslagers en wist hoe het moest. De Helpman 1 werd geboren en tentoongesteld in de rijwielfabriek van Fongers.

Om te kunnen vliegen was een vlak terrein noodzakelijk. In de omgeving van Helpman werd gezocht, maar het meest geschikte terrein lag net voorbij Vries, bij Zeijen/Ubbena. Mijn opa pachtte het, egaliseerde 2,5 km en bouwde er een hangar en een café (met biljart), want hij verwachtte veel bezoekers. In de zomermaanden van 1911 kwamen er inderdaad dagelijks duizenden nieuwsgierigen langs die vaak hele dagen vermaakt moesten worden, omdat het weer voor het vliegen niet altijd geschikt was. Maar op de momenten dat het kon werd er gevlogen. Eerst kleine stukjes en later wat grotere.

Het was een enorm succes. De Helpman 1 werd in heel Nederland uitgenodigd om te vliegen. Tot het catastrofale moment in het najaar van 1911 in de duinen van Scheveningen. Het vliegtuig werd gegrepen door een rukwind en stortte neer. Souvenirjagers verzamelden de brokstukken. Alleen over de propeller, die nog bij mij aan de muur hangt, gaat in de familie het verhaal dat de vliegenier daarop is afgevoerd, bij gebrek aan brancard. Hij moest 9 weken in het ziekenhuis herstellen.

In die dagen was mijn opa aan het lobbyen om van zijn hobby een industrie te maken. De grootste geldschieter, Jan Evert Scholten, haakte echter af; hij vond Nederland te klein voor een vliegtuigfabriek. Bovendien vond mijn overgrootvader het welletjes: er vallen nog eens dooien! Het was over met de droom. Mijn opa legde zich weer toe op de fabricage van biljarts. En zo ken ik hem nog.